De naoorlogse periode

Na het overlijden van Helene Kröller-Müller is al snel duidelijk dat het Grote Museum niet meer zal worden gerealiseerd. Het ‘overgangsmuseum’ van Henry van de Velde wordt omgedoopt tot Rijksmuseum Kröller-Müller.

In 1953 wordt het museumgebouw uitgebreid met een congresvleugel en een beeldenzaal. Architect is wederom Henry van de Velde. Museumdirecteur A.M. Hammacher, die beeldhouwkunst tot een nieuwe specialiteit van het museum wil maken, vraagt specifiek om een open, lichte ruimte waarin hij de grote en veelal gekleurde beelden in al hun facetten kan tonen.

In 1965 constateert directeur Rudi Oxenaar dat het ‘overgangsmuseum’ niet meer voldoet aan de eisen voor een modern museum. Het museum, dat immers bedoeld was als tijdelijk museum, schiet zowel in technische voorzieningen als in ruimte ernstig tekort. De Nederlandse architect Wim Quist krijgt opdracht een ontwerp te maken voor een grote uitbreiding. De nieuwe museumvleugel wordt geopend in 1977. Karakteristiek zijn de lange gangen, met veel glas en een weids uitzicht op het omringende boslandschap en de beeldentuin. Ook herbergt de uitbreiding nieuwe, ruime museumzalen en een imposant grote beeldenzaal voor het tonen van extreem grote beelden.

In 2005 is het gebouw van Van de Velde toe aan een grondige renovatie. De oude vleugel krijgt een brandvrij, koperen dak en een nieuw lichtreguleringssysteem, waarmee het daglichtniveau volledig regelbaar is. Door voormalige ateliers bij het museum te trekken, wordt er meer tentoonstellingsruimte gecreëerd. Ook opent het museum een nieuw informatiecentrum.

In 2010 was Wim Quist, architect van de nieuwbouw uit de jaren zeventig, te zien in het Avro programma 'Architecturen'. In de uitzending zijn verschillende musea met verschillende bouwstijlen onder de loep genomen: het Groninger Museum, het Gemeentemuseum Den Haag, De Paviljoens Almere en het Kröller-Müller Museum in Otterlo. Bekijk hier de uitzending
De naoorlogse periode