column

2013 2012 2011 2012 2011 2012 2010 2009 2008 2007 2006

De maatschappelijke relevantie van het museum

Vanuit politieke en bestuurlijke hoek wordt steeds vaker gevraagd naar de maatschappelijke relevantie van culturele instellingen. Het is goed dat deze notie uit de jaren zestig van de vorige eeuw weer terug is. Toen werd, als ik me goed herinner, vooral de klasse van de wetenschapsbeoefenaars uitgedaagd om zijn maatschappelijke relevantie aan te tonen. In de jaren zeventig is het onderwerp naar de achtergrond verdwenen, ik denk omdat de grote protestbewegingen wegebden en we aan de welvaart begonnen te wennen. In cultureel opzicht was er in die jaren veel ruimte voor experimenten en vernieuwingen, die niet tot een groot publiek hoefden door te dringen. De maatschappelijke relevantie ervan lag besloten in het culturele pionierswerk en de mogelijkheid dat de resultaten in het maatschappelijke leven opgepikt zouden kunnen worden. De verdiensten van de protagonisten van toen, kunstenaars als Andy Warhol of Joseph Beuys, museummensen als Harald Szeemann of Rudi Fuchs, dringen nu ook door tot het grote publiek. In wezen werd de cultuurwereld gedragen door een laag van specialisten, kenners en deskundigen en werden culturele disciplines ‘beoefend’ als een soort wetenschap. Het grote publiek was niet aanwezig.

Nu, 30, 40 jaar later, is de situatie heel anders. Welvaart is weelde en consumentisme geworden. We hangen zo aan onze verworvenheden dat we permanente waarborgen willen hebben voor onze veiligheid en zekerheid. Marktwerking regelt de cultuur en het grote publiek speelt nu wél een rol. De gidsfunctie van de deskundige wordt niet zonder meer erkend. Er is tegenzin om de overheden mee te laten betalen aan cultuuruitingen voor een kleine markt. Nog steeds gaat een groot bedrag aan overheidsgeld naar cultuur, maar in tegenstelling tot 40 jaar geleden wordt het versnipperd over veel meer partijen, zodat het minder vruchten lijkt af te werpen. De mate van maatschappelijke relevantie lijkt nu meer bepaald te worden door attractiewaarde en meetbare resultaten als bezoekcijfers, economische spin off, aantallen sponsors, mediabelangstelling of hoogte van de inkomsten.

Hoe denk ik nu over de maatschappelijke relevantie van het museum in deze context?
Er zijn zoveel soorten musea dat ik in dit korte bestek geen antwoord kan geven dat betrekking heeft op alle musea of ‘het’ museum. Een historisch museum dat reflecteert op de nationale identiteit construeert zijn maatschappelijke relevantie nu eenmaal anders dan een museum dat gewijd is aan de diversiteit van culturen in de wereld.

Als ik kijk naar het museum voor beeldende kunst en het Kröller-Müller Museum in het bijzonder, dan constateer ik dat het museum voor de beeldende kunst zijn bestaansrecht ontleent aan de kunst en zijn lot daarmee heeft verbonden. Het besef dat de kunst ons helpt om op visuele wijze de wereld te verklaren, om inzicht te krijgen in ons bestaan op aarde en om bij te dragen aan de zingeving van het leven wordt door kunstmusea nu al meer dan 200 jaar uitgedragen. Kunst draagt bij aan de vorming van een persoonlijke overtuiging over en ten opzichte van de wereld, omdat ze bestaande codes, waarmee de werkelijkheid geduid kan worden, kan negeren. Hoe meer de onvoorspelbaarheid uit de wereld verbannen wordt, hoe meer kunst kan bijdragen aan onafhankelijke zingeving (en hoe subversiever ze ervaren kan gaan worden). Dat maakt de kunst niet altijd populair bij het grote publiek.
In het museum kan gewezen worden op de rol van de beeldende kunst als een permanente blikverruimer. Het museum is daarbij in de eerste plaats geheugen. Het museum kan dat doen door te wijzen op het historische perspectief, op de andere kant van een opvatting, op alternatieve interpretaties, door te relativeren en te nuanceren. Het museum kan ook normen stellen, bij voorbeeld door een collectie op te bouwen waaraan bepaalde uitgangspunten ten grondslag liggen, door beredeneerde keuzes te doen uit de hedendaagse kunst of door een visie te verwoorden en uit te dragen. Het moderne museum is cultureel ondernemend, luistert goed naar zijn bezoekers en gaat in op hun wensen en vragen, zonder het zicht op zijn missie te verliezen. Zo draagt het museum bij aan de kwaliteit van het bestaan en is het maatschappelijk relevant.

In het Kröller-Müller Museum geven we daar vooral vorm aan door de verbinding van de beeldende kunst met natuur. In de afgelopen honderd jaren hebben mevrouw Kröller en haar opvolgers steeds keuzes gedaan uit de hedendaagse kunst en een samenhangende verzameling opgebouwd met respect voor de beslissingen van hun voorgangers. Door de geschiedenis tastbaar aanwezig en afleesbaar te laten zijn in de beeldentuin en het museum scheppen we de omgeving die aanzet tot reflectie, rust en relativering. De geschiedenis moet vanzelfsprekend wel levend gehouden worden. Dat proberen we te bereiken door respect voor oud en nieuw, voor marge en centrum, door het bewaren van samenhang in alle elementen en een open oog voor nieuwe ontwikkelingen. Dat komt bij voorbeeld tot uiting in de inrichting van het museum waarin recente en oude kunstwerken gecombineerd zijn en beproefde meesterwerken door minder gevestigde reputaties uitgedaagd worden. Vroeger was ons museum van en voor deskundigen, nu is dat anders. Door het vasthouden aan ons historisch perspectief en door het engagement met de hedendaagse kunst wordt ons programma weliswaar nog steeds door professioneel handelen bepaald, maar de vragen en wensen van het publiek zijn leidend. De waardering van onze bezoekers voor het museum werd de afgelopen jaren gemiddeld met een 8 uitgedrukt en dat steunt ons om door te gaan op de ingeslagen weg.

Tenslotte: de maatschappelijke relevantie van het (ons) museum manifesteert zich op een aantal punten, waarbij gezocht wordt naar een samengaan van de verworvenheden van het ‘oude’ avant-garde-denken met het nieuwe culturele bewustzijn: geloof in de waarde van de moderne en hedendaagse beeldende kunst voor de zingeving van het bestaan, luisteren naar en communiceren met je publiek, professioneel handelen, wijzen op de betekenis van kwaliteit en zakelijk en bestuurlijk transparant handelen.

Evert van Straaten 
November 2007