column

2013 2012 2011 2012 2011 2012 2010 2009 2008 2007 2006

Alleen maar verliezers?

De staatssecretaris, die cultuur in zijn portefeuille heeft, maakte in juni bekend hoe hij de bezuinigingen op zijn budget voor de jaren vanaf 2013 wil gaan invullen. In totaal wordt meer dan een kwart op dit (rijks)budget gekort (200 miljoen euro op een totaal van 950 miljoen). Het ging deze keer ‘slechts’ om de invulling van een bedrag van 125 miljoen. In het kort gezegd komt het er op neer dat hij kiest voor het succesvolle, voor die instellingen die al een fors marktaandeel in de culturele economie hebben. Kerngedachten in zijn beleidsbrief, die veelzeggend Meer dan kwaliteit is getiteld, zijn: minder afhankelijkheid van rijkssubsidie bij culturele instellingen, meer publieksbereik en meer ondernemerschap. Artistieke kwaliteit, vernieuwingsdrang, verantwoordelijkheid voor talentontwikkeling of cultuur als sociaal bindend fenomeen lijken van ondergeschikt belang geworden. Het meest in het oog lopende gevolg van de nieuwe aanpak, die, heel knap, verwoord is alsof het om een zegen, een verlossing voor het land gaat, is een keiharde sanering van het culturele bestel, voor zover de staat daar de hoofdverantwoordelijkheid voor draagt. Als ‘topinstelling’ is het Kröller-Müller Museum relatief ontzien, maar ondanks ons succesvol cultureel ondernemerschap, de hoge kwaliteit van onze projecten en een zeer innovatief educatief programma zullen wij in 2013 met een fors financieel tekort een herstart moeten maken. Dat is mede te danken aan de kortingen op de beheersvergoedingen die we al in de afgelopen jaren van de staat opgelegd hebben gekregen.
Uit het voorgaande merkt u al dat de perspectiefwisseling mij niet verrast. Er wordt nu de consequentie getrokken van een ontwikkeling waar we al sinds eind jaren tachtig stapsgewijs mee bezig waren: het terugtrekken van de rijksoverheid, gevolgd door de lagere overheden, als financiële aanjager van de cultuur. Een overheid mag natuurlijk beleid veranderen en als het parlement dit bekrachtigt moet elke burger dit aanvaarden. Wat mij wel verrast heeft is dat dit versnelde terugtrekkingsproces zich afspeelt in een onverhuld kunst- en cultuurvijandige sfeer. Het evangelie van de markt dat nu gepredikt wordt gaat niet gepaard met een genuanceerde visie op de maatschappelijke rol van cultuur. Integendeel, er lijkt een sfeer van genoegen door het land te waren dat nu eindelijk hardop gezegd kan worden dat cultuur bevrijd is van de elite die haar jarenlang gegijzeld heeft, dat ze gewoon consumptiewaar is en dat ze nu aan het volk kan worden teruggeven. Deze argumentatie ziet over het hoofd dat cultuur nu pas echt eigendom van een elite kan gaan worden, namelijk als speeltje van de kapitaalkrachtigen. Dan moeten dezen, overigens, niet eerst afgeschrikt zijn door het cultuurnegativisme van de regering.
Rijk gelaagde, gevarieerde cultuur is de humuslaag van een samenleving. Het is een clichébeeld, maar het is ook een mooi beeld. Het heroïsche van de mens is dat hij zich, individueel en in groepsverband, van meet af aan heeft onderscheiden van de natuur door zich te willen beschaven. Afhankelijk van allerlei factoren hebben opbouw en vernietiging in de ontwikkeling van culturen een rol gespeeld. Wij lijken nu in een vernietigingsfase te zitten, in de richting van een monocultuur, naar mijn mening onder invloed van verwendheid, gemakzucht, overvloed en vermoeidheid. Vernietiging kan ook nieuwe scheppingsdrift losmaken en kan daarom noodzakelijk zijn, maar, gezien de risico’s van ontsporing en definitief verlies die daaraan vastzitten, moet dit middel met wijsheid gehanteerd worden.
Vanaf nu uitsluitend gaan voor succes is een doodlopende weg. Avontuur, uitdaging, vernieuwing, ontwikkeling, allemaal prikkels voor een innovatieve maatschappij, zullen gaan wegebben. Succes is natuurlijk nodig op zijn tijd, maar is altijd onschuldig en leidt tot gemakzucht. De keuze voor alleen maar succes is ook een voor de hand liggende weg om van ongewenst geachte cultuuruitingen af te komen. Is de onverschillige houding van de overheid misschien het masker van schaamte voor onze cultuur of is het een welbewuste stap op weg naar een monocultuur, waaraan oude en nieuwe Nederlanders zich moeten conformeren? Als dat zo is, dan raad ik de politieke elite van dit moment aan zich eens te verdiepen in Simon Schama’s bijzondere studie uit 1988 over de Nederlandse 17de eeuwers, Overvloed en onbehagen, die hun schaamte omzetten in een schuldgevoel en met hun op de markt verdiende grote geld juist de cultuur in verscheidenheid tot bloei lieten komen. Als de angst voor een diverse, verfijnde en zich bewust ontwikkelende cultuur het rijksbeleid gaat beheersen zijn er alleen maar verliezers.

Evert van Straaten
Eind juni 2011

Afbeelding: Cornelis Veth, Gaat dat zien!