column

2013 2012 2011 2012 2011 2012 2010 2009 2008 2007 2006

(Inter)nationaal

Deze zomer is een uitgebreide tentoonstelling met het prachtige, soms verwarrende en provocerende, maar altijd fascinerende werk van de Belgische kunstenaar Jan Fabre (1958) te zien in het Kröller-Müller Museum. Fabre doet zijn zelfgekozen bijnaam, ‘dienaar van de schoonheid’, eer aan met werk waarin honderdduizenden keverschildjes of vele liters Bic kogelpenblauw zijn verwerkt of dat met technische en ambachtelijke hoogstandjes tot stand is gekomen. Hij verleent daarmee glans aan het esthetische paradijs op De Hoge Veluwe, maar hij zou Fabre niet zijn, wanneer hij niet de keerzijde van de schoonheid, namelijk dood en vergankelijkheid, over zijn schouder mee zou laten kijken.
De tentoonstelling is in samenwerking met de kunstenaar en zijn medewerkers ontstaan. Ze is op maat gemaakt voor het museum. Fabre is de afgelopen jaren regelmatig op bezoek geweest om de sfeer te proeven en ideeën te bespreken en uit te werken. Fabre vond het fantastisch om de verzameling van het Kröller-Müller Museum, die al een meer dan honderdjarige geschiedenis heeft, te leren kennen. Fabre, een geboren Antwerpenaar, vertelde ons over zijn trots om vanwege de tentoonstelling en de aankopen die daaruit voort zouden vloeien, bij deze wereldberoemde verzameling te mogen gaan behoren. Ook later, in interviews met de pers, zei hij dat hij nu met James Ensor en Panamarenko, beide inderdaad rijk vertegenwoordigd in onze collectie, Vlaanderen vertegenwoordigde in het Kröller-Müller Museum. Sinds de opening van de tentoonstelling zijn al vele duizenden bezoekers uit Vlaanderen gekomen om het werk van hun beroemde kunstenaar te komen bewonderen.
Dat ontroert me zeer, deze trots. Ik ben er ook een beetje jaloers op. Een Nederlander als ik is gewend de Nederlandse natie, ook al is hij nog niet eens zolang geleden gevormd uit een vereniging van provincies, als een vaststaand gegeven te zien, dat weinig aanleiding geeft tot emotie van welke aard dan ook. Het internationalisme waar mijn generatie (ik ben van 1948) mee is opgevoed en de politieke geschiedenis tot het eind van de vorige eeuw hebben ongetwijfeld de positieve kanten van de ontwikkeling van een nationaal gevoel onderdrukt. Nationalisme in de vorm van trots lijkt me een positieve kracht, die het waard is om te importeren en te exporteren.
In ons museum, een vroeg product van het westerse modernisme, was de nationaliteit van de kunstenaar niet relevant, althans in theorie. Fabre wees ons er op dat nationaliteit er wel toe kan en mag doen. Een onderzoekje naar de Belgische kunstenaars in onze verzameling leverde een verrassend resultaat op: prominent vertegenwoordigd en bijna altijd zichtbaar zijn de schilders James Ensor, Théo van Rijsselberghe, William Degouve de Nuncques, Henry van de Velde (ook de architect van een deel van ons museum!), Félicien Rops, Xavier Melléry, Georges Lemmen, Charles Doudelet, Eugène Boch, Georges Vantongerloo en de beeldhouwers en hedendaagse kunstenaars Constant Permeke, Albert Termote, George Minne, Oscar Jespers, Rik Wouters, Willy Anthoons, Thierry de Cordier, Marcel Broodthaers en Panamarenko. Vlaanderen (en Wallonië) blijken goed vertegenwoordigd te zijn in ons museum. Nog meer redenen dus voor alle Belgen om ons te komen bezoeken.
Ondertussen moest ik de ploeg van de Griekse TV, die onlangs langskwam, teleurstellen, want Griekse (moderne) kunstenaars in onze verzameling kon ik niet aanwijzen. Een internationale oriëntatie heeft dus niet garant gestaan voor evenwichtige vertegenwoordiging van andere landen uit de wereld. De bril is altijd gekleurd, maar het lijkt me een goede les dat je je daarvan bewust moet zijn.

Evert van Straaten
Mei 2011

Afbeelding: James Ensor, La vengeance de Hop-Frog, circa 1896