column

2013 2012 2011 2012 2011 2012 2010 2009 2008 2007 2006

De overtreffende trap

Het zal u niet ontgaan zijn dat we al een poosje in het tijdperk van de overtreffende trap leven. De overgang vanuit de periode van de vergrotende trap, laat staan die van de stellende trap, ligt ver achter ons. De overgang is zo vloeiend gegaan dat het de gewoonste zaak van de wereld is geworden om ‘gewoon’ niet meer de moeite waard te vinden. Het leven is er een stuk spannender van geworden, maar ook gevaarlijker en lawaaieriger. We leven liever mee met de winnaars dan met de verliezers en spiegelen ons graag in de glans van degenen die excelleren. Elk record dat gebroken wordt verdient onze aandacht. Verveling en de zaligheid van het niets doen lijken niet meer aan de orde te zijn.
Om te overleven dient ook een museum aandacht te trekken. Sinds de ministers Elco Brinkman en Hedy d’Ancona eind jaren ’80 en begin jaren ’90 het cultureel ondernemerschap als drijvend principe in de museumwereld introduceerden is er veel veranderd. Nu tellen bezoekcijfers, verdienvermogen, internationale bekendheid en maatschappelijk draagvlak. Dus ook het doorsnee kunstmuseum verbindt zich tegenwoordig liever met succes en glamour dan met tegendraadsheid en confrontatie. In de historische opdracht van het instituut ‘museum’ ligt verankerd dat het de beste voortbrengselen van de mensheid uitkiest en voor latere generaties bewaart en toegankelijk houdt. Het was ooit uitgevonden om los van economische en modieuze overwegingen een boven de partijen staande kwaliteitsstandaard te zetten.
Nu de economische waarde van wat het museum doet en beheert veel belangrijker is geworden, gaat het steeds meer wringen bij het functioneren van het museum. Het programmeren van Van Gogh en Picasso wordt nu wat vaker ingegeven door overlevingsstrategie dan door innerlijke, artistieke noodzaak. Geen museum kan er zich aan onttrekken, ook het Kröller-Müller Museum niet.
Dus wij vieren dat wij één van de bekendste schilderijen ter wereld (Caféterras bij nacht uit 1888 van Vincent van Gogh) aan de muur hebben hangen, dat de ansichtkaart daarvan een bestseller in de museumwinkel is, dat de tentoonstelling die nu in Japan te zien is met werken Van Gogh o.a. uit onze collectie op weg is naar een bezoekersrecord, dat wij een versie van het verleden jaar voor een recordprijs van bijna 93 miljoen dollar verkochte L’Homme qui marche uit 1960 van Alberto Giacometti gewoon in een zaal hebben staan, maar ook dat we er in geslaagd zijn de aankoopprijs van 2 miljoen pond voor het onverkrijgbaar geachte kunstwerk The Paintings van Gilbert & George in een half jaar bij elkaar te bedelen en dat we binnenkort het uitdagende werk van de Belgische kunstenaar Jan Fabre in het museum laten zien.
Veel mensen weten de weg te vinden naar het mooiste museum van Nederland, naar één van de mooiste musea in de wereld. Ondanks de opdringende marktwerking, waar we geen bezwaren tegen hebben, proberen we een onafhankelijk, enigszins eigenwijs museum te blijven. Wij leren onze bezoekers wat en onze bezoekers leren ons wat.
Onlangs ervoeren we dat de wet van de overtreffende trap ook op onverwachte momenten opduikt. Na de seksuele revolutie van de jaren 60 en 70 leek Nederland een steeds vrijere moraal te krijgen. We raakten gewend aan erotiek in reclame en kunst. Museumbezoekers van reformatorische en islamitische achtergrond laten ons nu wel eens weten dat ze aanstoot nemen aan vrouwelijke naakten: vooral Venus en Amor uit 1524 van Hans Baldung Grien wordt erg ongemakkelijk gevonden. Dit schilderij behoort tot onze kostbaarste werken, stond bovenaan het boodschappenlijstje van Adolf Hitler voor zijn museum (maar kwam gelukkig na de oorlog weer terug) en is het werk waar het langst door een restaurator aan is gewerkt: een jaar lang full time! Het is inderdaad een brutaal en onbeschaamd schilderij, maar door zijn ouderdom, kostbaarheid en traditionele, ambachtelijke makelij leek het geneutraliseerd. Nu het letterlijk met andere ogen wordt bekeken door een nieuwe generatie museumbezoekers verandert het van betekenis en wordt het weer opnieuw controversieel. Er is geen beter bewijs voor het bestaansrecht van het museum.

Evert van Straaten
Maart 2011